december 2012

Fontjoncouse, december 2012

 

door Karen Haanstra, eigenaresse van het wijnhuis “Fontaine des Joncs”

 

Het ritme zit er zo goed in dat er persoonlijke rekords worden gebroken, ik knabbel gemiddeld tien procent van mijn beste voorsnoei-tijden af. Wat ik natuurlijk trots meld aan mijn wederhelft. Die daar niet de vrolijke kant van ziet:

De uitbundige oogst van 2011 heeft wat teveel van de krachten van de wijnstokken gevraagd, de vorst in het voorjaar 2012 heeft delen van de stokken bevroren en nieuwe uitlopers gedood.Met als resultaat minder en dunnere twijgen dan in andere jaren om voor te snoeien.

 

De vorst heeft meer sporen nagelaten. Stokken die bevroren zijn geweest steken hun dode hout als krachteloze armen omhoog. Mijn partner breekt dus ook rekords wat de tijd betreft die hij in een veld doorbrengt vanwege de extra tijd om het dode hout met een handzaag te verwijderen en het in model brengen van wat rest van een wijnstok.

De oude Carignan heeft flink geleden. Meer dan een eeuw doorstond ze de kapriolen van de natuur. Om in 2012 omringd door haar afgezaagde armen bij te komen van die amputaties.

En wanneer zoonlief zich op een zonnige zaterdagmiddag voor de t.v. ligt te vervelen, heeft vader een oplossing: Iedereen in de werkkleren, ik ook -al verveelde ik me niet- en de hele familie wordt inclusief een kruiwagen in de oude peugeot-bestel geladen, richting Carignan. En daar begint het samenbrengen van al dat dode hout, en het kruien naar de bestel. Thuis aangekomen alles uitladen, bijzagen en stapelen.

En daarmee is de Carignan ons een laatse keer van dienst: ze gaat deze maand ons huis verwarmen.

 Wat verontrustend is, is de grote hoeveelheid omgewoelde aarde in en rond de velden, het werk van wilde zwijnen. Onze velden liggen in een uitgestrekt ongerept natuurgebied, omringt door garrigue. Het wild zwijn gedijt daar zo goed, dat het zichzelf tot schadelijk wild heeft veroordeeld.Dat ze de grond omwoelen op zoek naar iets eetbaars, is niet erg.    Maar wel dat ze zich zomers in steeds grotere getale tegoed komen doen aan onze druiven. Zes jaar geleden werd de spreekwoordelijke druppel die de eemmer deed overvloeien, bereikt. In dit geval, omdat er geen druppel in de emmer kwam: Een veld cinsault (dat is een ras dat van die grote sappige druiven geeft, heel geschikt voor een rosé-wijn) was in de vier dagen dat we elders oogsten, zo volledig leeg gegeten dat er geen onbeschadigde tros te vinden was.

Een zwijn hapt in een tros, vult zijn bek met wat hij losrukt, en laat de op de grond gevallen druiven onaangeroerd, om richting volgende tros te gaan. Een soort op hol geslagen oogstmachine.

 Sindsdien besteden we elk jaar een aantal weken aan het afrasteren van de velden, aan materiaal en tijd een fikse investering. Het begint met het verwijderen van een baan garrigue rondom het veld.

Garrigue, dat is hardnekkig met veel stekels. Eerst met een soort manchete die je ook ziet gebruiken in de jungle, op die ongetemde wildernis ingaan, en dan op de knieen met een zaag en snoeimes de restanten met de grond gelijk maken,

Dan is het wachten op een regenperiode: de grond is bij droogte zo hard als beton en zit vol keien en heeft geen menselijk ingrijpen gekend. Na voldoende voorgeweekt te zijn, is het de eer aan mijn partner om elke vijf meter een ijzeren piketpaal in de bodem te slaan.

Daarna drie ijzeren spandraden rijgen door gaten in die palen: één raakt de grond, één in het midden en één op 1 meter hoogte (minder kan niet, er zijn zwijnen die er overheen of onderdoor weten te komen) waarna het gaas wordt met een stukje ijzerdraad op de spandraden wordt vastgezet, dat moet elke twintig centimeter, wil het een zwijn tegenhouden. Velden die nog niet afgerasterd zijn, worden vanaf de zomer omringd door schrikdraad. Want zwijnen eten alles, dus ook de nog onrijpe druiven.

Het afrasteren is lonend gebleken, we delen elk jaar minder van onze oogst met de zwijnen.