Mei 2013

De maand mei is een drukke maand in de wijngaard.

Licht ploegen bestrijdt onkruid en geeft een losse korst, die in warme tijden werkt als een isolerende
laag tegen uitdroging. Helaas regende het elke paar dagen en werd de losse aarde weer omgevormd tot een harde laag. Dus bleef het niet bij één keertje ploegen.
De wijnstokken…die groeien door de geregelde regenbuien opgewekt verder, met het vele daaraan verbonden werk, dat zich dus ook versneld aandient.

De eerste blaadjes verschijnen, een teken dat de groei op gang is gekomen. Maar ook het signaal dat er bespoten moet worden. Dat doet iedere wijnbouwer, ook de biologische boer.
Want een wijnstok, dat is een door mensen gecultiveerde plant. Heel taai, dat wel. Maar gekweekt op het produceren van fruit. En of dat nou appels of peren of druiven zijn, bescherm je ze niet tegen ziektes, dan eindig je met een oneetbare oogst. Waar we vooral bang voor zijn, zijn de schimmelziektes: die zijn in staat een tros druiven in een paar dagen om te toveren tot een onbruikbare klomp viezigheid.


Zodra het derde blaadje verschijnt, wordt er een reservoir aan de tractor gekoppeld. Dit reservoir is gevuld met in water opgelost kopersulfiet, met daaraan twee slangen gekoppeld. Dit geheel eindigt op een “lans”: een handvat met dunne buis en verstelbare nevelkop. Een soort waterpistool voor volwassenen.
In beschermende kleding stap je als een moderne ridder ten strijde tegen de aanvallen van ziektes.
Mijn partner, gelijk een vroegere ridder te paard, maar in moderne versie, dus op een tractor gezeten, rijdt tussen de rijen door. Ik loop ernaast, met een andere vrouw, als een middeleeuwse vazal.

Stok voor stok nevelen we een blauw waasje over de blaadjes. Met vierduizend stokken per hectare, lopen we heel wat kilometers.
Twee weken later herhaalt dit gebeuren zich, ditmaal met wat wind erbij. In meer en meer lichtblauw getinte kleding waden we door de velden. Een folkloristisch gezicht, dat door passerende toeristen fotografisch voor het nageslacht wordt vastgelegd.


De meeste boeren zetten gelijk met een groot apparaat het veld in een blauwe waas. Kost meer product, maar het werkt sneeler, en is -zonder ernaast lopende smurfen- goedkoper.
“De opmars van de rentabiliteit doet de smurfen uit het landschap verdwijnen.”
Twee weken later zijn de planten ondertussen zo groot dat handmatig spuiten ondoenlijk is, en dan gaat er bij ons dus ook een blauwe waas overheen.
Denk niet, dat het daarmee voorbij is met het lopen van kilometers per dag. De uitlopers van de Syrah zijn onderhand zo groot, dat ze tussen de draden gestoken moeten worden. En omdat ze in het begin zo snel groeien, is het akelig kwetsbaar spul, dat letterlijk bij de handen kan afbreken.

Eind mei begon het hard te waaien. De twijgjes bleven goed zitten tussen de draden, en hier en daar brak alleen het topje af. En daaronder bleef het groeiende trosje gespaard.
Die trosjes, die horen eind mei in bloei te zijn. Maar mei was te koud. Geen bloemetje te zien. Werken met natuur is begrijpen dat niet alles in het leven beheersbaar is.


En het bleef niet bij lopen. Nee, je moet in mei op de knieën. De vruchtdragende twijgen kwamen allemaal mooi tevoorschijn. Maar de Cinsault is een ras dat nogal onstuimig is. Vanaf de onderstam dringen zich allemaal ongeplande uitlopers op, richting blauwe lucht. “Gourmands” heten ze hier, oftewel smulpapen. Ze doen zich tegoed aan de voeding van de wijnstok, maar leveren geen vrucht als tegenprestatie. Er is maar één remedie: op de knieën, en met de hand die twijgjes netjes bij de stam afbreken. Laat je een centimeter zitten, dan verschijnt er na een paar weken al een nieuwe. En nu is mijn Syrah al net zo eigenzinnig, dus moest ik ook voor haar door de knieën. De velden staan er nu prachtig bij. Rechte rijen, schone onderstammen, licht geploegde aarde en geen onkruid. Dat is het mooie van handenarbeid: je ziet het resultaat van je inspanning.